Onderweg – Zompig

Zomp zomp. Zo klinkt het een beetje.
Zompig.
Dat is het woord dat hij zoekt. Zijn schoenen zijn zompig. Klopt die zin?
Misschien is hij door een plas gelopen op straat. Hij had alleen helemaal niet gemerkt dat het geregend heeft. Heeft het wel geregend?

Pas op, afstapje.
Hij wankelt op zijn zompige schoenen voordat hij zijn evenwicht weer hervindt. Altijd lastig die roltrappen. Ze zouden die afstapjes toch echt eens beter moeten aangeven. Hij kijkt even om zich heen. De anderen lijken er geen moeite mee te hebben. Hij haalt zijn schouders op en schuifelt zigzaggend verder over het station. De felle lampen dwingen hem zijn ogen even dicht te knijpen en door de desoriëntatie loopt hij tegen iemand aan.
Het meisje zucht geïrriteerd en pakte haar gevallen tas weer op. Ze kijkt hem nog even pissig aan, terwijl hij een verontschuldiging mompelt tegen haar decolleté en loopt dan met een grote boog om hem heen. Hoofdschuddend kijkt hij haar na. Ze is niet veel ouder dan zijn jongste dochter. Die meiden van tegenwoordig lopen er steeds hoeriger bij. Een flits van zijn oudste dochter in een discotheek – schaars gekleed, omringd door mannen, hongerige ogen – verschijnt voor zijn geestesoog en hij schudt nog wat heftiger zijn hoofd.

Er was een stripper in zijn stamkroeg geweest vandaag. Dat had hij nog nooit eerder meegemaakt daar. Ze begon in niet veel meer dan haar ondergoed en was na een paar minuten in enkel een string het podium weer af gehuppeld. Ze was al wat ouder geweest en haar borsten hingen nog lager dan die van zijn vrouw. Hij had daar met zijn biertje aan de bar gezeten, zijn colbertjasje naast hem over een kruk gedrapeerd (om het kreuken te voorkomen, hij had morgen een belangrijke vergadering). Samen met nog wat anonieme mannen in pak hadden ze gegniffeld om de oude stripper en gedaan alsof ze niet onder de indruk waren. Alsof ze dagelijks naakte vrouwen te zien kregen. Veel knappere, met borsten die nog recht naar voren wezen. De grappen die ze maakten werden steeds smeriger, grappen die oude mannen alleen durven te maken met genoeg alcohol in hun bloed en zonder vrouwen in de buurt.

Opnieuw een flits van zijn oudste dochter – weer schaars gekleed, rondom een paal dansend, op een podium – en hij probeerde verwoed de beelden te verdringen.
De mannen kwijlend, pilsje in handen, smerig gegrinnik en gegniffel, smakeloze grappen, vieze eeltige handen over haar zachte huid.
Een schreeuw. Er ligt een man voor hem op de grond met zijn hand tegen zijn wang. De man schreeuwt.
‘Godverdomme!’
Hij schreeuwt tegen jou.
Hij kijkt van de man op de grond naar zijn eigen gebalde vuist die hij nog steeds omhoog houdt. De knokkels zijn rood. Was dat net ook al zo?

Hij draait zich om en ziet het meisje met de tas minachtend naar hem staren voor ze zich omdraait naar haar vriendinnen. De geslagen man krabbelt nu overeind en wordt omringd door bezorgde passagiers.
‘Die gek begon ineens met zijn vuisten te zwaaien! Ik zag het niet eens aankomen!’
De rest wordt overstemd door het gebulder van de binnenstormende metro die piepend tot stilstand komt. Hij kijkt nog een keer naar zijn rode knokkels en laat dan verdwaasd zijn hand zakken. Langzaam schuifelt hij achter het meisje met haar vriendinnen aan de metro in. Het geschreeuw wordt even heftiger als hij wegloopt, maar niemand houdt hem tegen.

Hij gaat vlakbij het meisje zitten, zodat hij naar haar kan glimlachen. Hij vergeet dat zij ook iemands dochter is. Ze heeft grotere borsten dan de stripper in de kroeg, merkt hij op. Hij glimlacht nog eens.

Advertenties

De kermis

Ik heb nooit van de kermis gehouden. Ik houd niet van de overdreven vrolijkheid, de misselijkmakende geur van mierzoete snoepsoorten, de veel te felle, bontgekleurde lampjes gedrapeerd over alle attracties en tenten. Het staat me gewoon tegen.

Eén keer ben ik naar de ‘grote’ kermis in Rotterdam geweest, toen nog op de Mullerpier. Ik was vijf jaar oud, meegesleurd aan de hand van mijn vader. De attracties kan ik me niet meer herinneren, de mensen echter wel. Mijn moeder probeerde nog mijn ogen te bedekken toen ze voorbij kwamen, maar het was al te laat. Ik had ze al gezien. Een Surinaamse jongen strompelde voorovergebogen voorbij, zijn handen beschermend voor zijn gezicht, maar die handen hielden het bloed niet tegen. Daar achter wat men toen ‘een gabber’ noemde. Een leren riem om zijn rechterhand gewikkeld, terwijl hij als een razende de gesp keer na keer op het achterhoofd van de andere jongen liet neerkomen. Ik had het gevoel alsof hij me had gezien, alsof hij mijn zwarte haren en getinte huid had gezien en later voor terug zou komen, achter me aan zou komen. Ik zag de belofte in zijn ogen.

Ik ben toen huilend in mijn moeders armen naar huis gedragen.

Soms, als ik één van mijn zeldzame poëtische buien heb, vergelijk ik het leven met een attractiepark. Je loopt constant van de ene attractie naar de andere, elke keer weer hopend dat de volgende attractie nog beter, nog spectaculairder is, op zoek naar die kick, dat volmaakte gevoel. Geen enkele attractie kan je verwachtingen echter waarmaken, en aan het einde van de dag is het enige wat je er aan over hebt gehouden een vreselijke misselijkheid, omdat het allemaal te snel voor je ging, te veel voor je was.

Dus ik heb een hekel aan kermissen.

Ik ben een dromer en soms, als ik even genoeg heb van de dagelijkse beslommeringen, beeld ik me in dat ik in een reuzenrad zit, helemaal in de top, ver boven de wereld. Het wordt avond, de mensen gaan naar huis en de zon gaat onder, maar ik blijf zitten. Ik kijk naar de mensen, sommigen lopen hand in hand, dicht tegen elkaar aan, dan voel ik misschien een steek van jaloezie, omdat ik me kan voorstellen hoe verliefd en gelukkig ze zijn, hoewel ik het zelf nooit heb meegemaakt. Maar er zijn ook anderen, anderen zoals ik, alleen. Misschien hebben ze ruzie gehad, zijn ze schreeuwend verlaten door hun partner. Misschien zijn ze altijd al alleen geweest, lopen ze nietsziend langs de kermis op weg naar huis, moe van weer een dag geestdodend, uitzichtloos werk. De jaloezie maakt dan plaats voor medelijden.
Steeds meer lichten gaan uit en het is al bijna donker, maar ik blijf zitten in de top van het reuzenrad. Alle mensen zijn nu weg, het plein is uitgestorven. Dan pas valt de rommel me op. Blikjes ingedeukte limonades, half verorberde suikerspinnen, snoeppapiertjes, uitgedeelde reclamefolders hebben bezoekers achteloos op de grond laten vallen.
Sporen die de mens altijd achterlaat.

Ik kan het allemaal zien, terwijl ik geniet van de frisheid van de nacht, van de duisternis die me omhult, en de stilte…

Maar ik haat kermissen en ik heb hoogtevrees.


Still waiting

Zoals al eerder te lezen viel op mijn blog, ben ik een groot fan van de PostSecret organisatie en lees ik elke zondag de nieuwe geheimen op de website. Elke keer zitten er wel weer geheimen bij die mij persoonlijk aanspreken of inspireren. Een tijd geleden las ik weer een boodschap die dagenlang in mijn hoofd bleef rondspoken. Een simpel zwart kaartje met witte letters, waardoor de pijn en de onvrede die erachter schuilgingen nog duidelijker naar voren kwamen.

I’m 49 and I’m still waiting for my life to begin.

Na het lezen kwam meteen een bekende uitspraak van John Lennon bij me op: ‘Life is what happens to you while you’re busy making other plans’.

Ik ben graag bezig met het plannen van mijn leven. Natuurlijk besef ik dat niet alles volgens een strak schema kan lopen en ik probeer me flexibel op te stellen, maar toch kan mijn humeur snel omslaan als dingen niet gaan zoals ik ze gepland had. Dit kan alles zijn van een trein die vertraging heeft tot de frustrerende ontdekking dat mijn baan me toch niet de beloofde kansen tot zelfontplooiing heeft geboden.
Het is dan ook één van mijn grootste angsten dat ik zo bezig ben het plannen van de rest van mijn leven dat ik vergeet de plannen ook uit te voeren. Dat ik ook op mijn 49e denk: Ik leef nu bijna een halve eeuw, maar wat heb ik precies gedaan? Dat ik op mijn 49e nog steeds bezig ben met het maken van plannen en niet besef dat als ik niet nú begin met leven, het voorbij is voor ik er erg in heb.

Iedereen heeft waarschijnlijk wel eens last van een sleur, dat je zo bezig bent met alledaagse bezigheden en schema’s en plannen dat je vergeet ook echt te leven. Sommige mensen vergeten dit net zo lang tot ze hardhandig worden geconfronteerd met hoe kort en hoe zwak het leven kan zijn; een sterfgeval. Met een schok beseffen ze dat het allemaal zomaar voorbij kan zijn en als ze niet oppassen dit ook geldt voor hun leven.

Gelukkig dat anonieme kaartjes en bekende uitspraken bij mij genoeg effect teweeg brengen om dit weer te beseffen. En dat brengt me tot één van de meest gebruikte, ontzettende cliché uitspraak (maar oh zo waar): Carpe Diem.

Ik hoop dat de zender van het kaartje dat nu ook door heeft.


Heimwee

In het eerste jaar van mijn opleiding communicatie had ik het vak professionele bedrijfscommunicatie: schrijfvaardigheden. De leraar gaf ons ook een simpele opdracht in creatief schrijven: kies een foto uit en schrijf daar een kort stukje over. Dat hoef je tegen mij uiteraard geen twee keer te zeggen. Enthousiast ging ik aan de slag en het volgende verhaaltje heb ik uiteindelijk ingeleverd.

Rijstvelden (Sawah) op Bali in Indonesië

Als ik mijn ogen dicht doe kan ik het me makkelijk voorstellen. De brandende zon die mijn huid verwarmt en de binnenkant van mijn oogleden een rode gloed geeft. Mijn donkere haren vangen de zonnestralen op en houden de warmte vast, waardoor ik altijd een loom gevoel in mijn hoofd heb. Ik voel de druppeltjes zweet die constant langs mijn nek en over mijn rug lopen, deodorant zal een must zijn in mijn handtas.
Mijn voeten, in eenvoudige slippers gestoken, zullen wegzakken in de modderige ondergrond op de sawah. Ik moet regelmatig mijn voeten omhoog trekken om niet vast te blijven zitten. Het lopen is vermoeiend en we mogen van de eigenaar niet ver weg, bang als hij is dat wij de rijst zullen vernietigen. De lucht zal daar niet ruiken zoals in Rotterdam. De benzine en sigarettenlucht heeft plaatsgemaakt voor een vreemde combinatie van rottende planten en rijp fruit. Misschien ruik ik wel de durian, een typische indonesische vrucht, heerlijk zoet en sappig maar het stinkt een uur in de wind. Zou je de rijst ook kunnen ruiken?
Er zijn ook mensen aan het werk op de sawah. Mannen en vrouwen van alle leeftijden staan in kleurrijke gewaden (waarschijnlijk van batik) gebukt over de planten. Door de grote manden op hun rug kan ik niet precies zien wat ze doen. Ik vraag me af of ik dat zou kunnen, dag na dag in de brandende zon zwaar lichamelijk werk doen. Het valt me opeens op hun dun ze zijn, vel over been. Het schaamrood stijgt naar mijn wangen als ik bedenk hoe zij wel niet naar mij zullen kijken, ‘kijk daar heb je weer zo’n groep dikke belanda’s die komen laten zien hoe goed ze het wel niet hebben’.
Misschien is deze sawah wel niet ver weg van mijn familie, familie die ik nog nooit ontmoet heb. Gelukkig zijn het indonesiërs en is iedereen welkom. Zijn er vrienden van vrienden van iemand uit de familie? Oh, diens zwager? Kom binnen! Blijf je meteen eten?

Aan mijn achternaam is het niet te zien, aan mijn uiterlijk slechts een beetje. Ik spreek de taal niet, slechts enkele woordjes. Ik kom niet altijd te laat (wel vaak) en ik ben niet altijd even gastvrij tegenover vreemden (op bezoek komen mag, maar laat je dat wel even van tevoren weten?). Toch ben ik trots op mijn achtergrond. Ik ben half Nederlands, half Indonesisch, een ‘indo’ dus. Ik ben nog nooit naar Indonesië geweest, maar soms lijkt het wel alsof ik heimwee heb. Heimwee naar een land waar ik op de een of andere manier toch een beetje thuis hoor. Ooit zal ik daar staan en ben ik degene die zo’n foto maakt.


Onderweg – leegte

Een klein stukje, weinig uitleg nodig, denk ik. Weer lekker donker, zoals vaste bezoekers al gewend zijn ;).

Schaamte.

De zon schijnt fel en alleen jij ziet de donkere wolken samenkomen aan de rand van de horizon. Je probeert te lachen, maar de tranen die over je wangen stromen laten de poging mislukken. Mensen kijken je fronsend aan, geïrriteerd. In een flits maak je je zorgen om de overlast die je veroorzaakt, en haast tegelijkertijd denk je aan de mascara die waarschijnlijk mee stroomt met de tranen. Wat een verschrikkelijk beeld moet dit zijn.

Relevantie.

Het kan je eigenlijk niets schelen. De mensen om je heen registreer je nauwelijks meer, je omgeving bestaat enkel nog uit vage contouren en schrille in elkaar overlopende kleuren, die zich aan je lijken op te dringen. Je kan het bloed voelen stromen door je aderen, je voelt het bonken tegen je huid op een ritme dat je niet kan volgen. Beelden uit je herinneringen komen op in je gedachten en verdwijnen weer voordat je ze kan herkennen. Een gevoel van hopeloosheid neemt hun plaats in.

Realiteit.

Je bent leeg. De tranen stoppen en je loopt voorzichtig uit de massa. Mensen verliezen hun aandacht en je bent weer alleen. Je telt de stoeptegels die nu helder zichtbaar zijn onder je voeten. Op de een of andere manier troost het je, te weten dat als je morgen terugkomt, er nog net zoveel stoeptegels zullen liggen. Alsof er nog iets enigszins hetzelfde blijft. Je staart naar een oude man die vis koopt bij één van de kraampjes. Moeizaam pakt hij het tasje aan van de visboer en plaatst het in het mandje van zijn rollator. Hij schuifelt naar het volgende kraampje.

Besef.

Uitgeteld loop je naar je bestemming. Starend naar de naam van je eigen zoon op de grafzerk voel je de brandende tranen weer vallen. Het voelt al bekend en haast geruststellend. Je begint te wennen aan dat gapende, schrijnende gat en het beangstigt je.
De dagelijkse sleur was altijd iets verschrikkelijks, waar je je doorheen moest worstelen, zinnend op een manier los te breken. Nu is die pijn iets waarmee je moet leven.


Onderweg – Tieners

Mijn muzes zijn op vakantie, volgens mij. Maar ik blijf het vrolijk proberen. Hier is in ieder geval weer een verhaaltje! Deze scène had ik al een tijdje in mijn hoofd, maar ik kon het juiste karakter er niet bij bedenken. Totdat Laura mij een verhaal stuurde over één van haar personages. Met toestemming heb ik deze toen een beetje aangepast voor mijn stukje ;). Dankjewel!

Hij slofte moeizaam door de straten, blik op de grond gericht en fiets in zijn handen. In zijn voorwiel zat een grote slag en om de zoveel stappen moest hij extra veel kracht zetten om de fiets vooruit te duwen. Na vijf minuten bleef hij weer stil staan en zette zijn handen in z’n zij om even uit te rusten. Het was nog meer dan een kwartier lopen naar zijn huis, waarschijnlijk wel langer met een fiets die er geen zin meer in had. Na een minuutje pakte hij het stuur weer stevig beet en begon de fiets en zichzelf weer naar voren te duwen.

Het was hartje winter dus het begon al langzaam te schemeren. Andere voorbijgangers haastten zich naar de warmte van hun huizen, maar hij voelde het zweet aan de binnenkant van zijn winterjas plakken en moest er niet aan denken. Ongelooflijk dat hij nu al uitgeput was. Dit was nauwelijks de eerste keer dat hij zijn fiets naar huis moest slepen, stiekem had hij gehoopt dat hij er nu getraind in zou zijn (alsof een kapotte fiets naar huis slepen topsport was). Hij zou opgelucht moeten zijn dat het nu bij zijn voorwiel was gebleven, misschien kon hij het dit keer zelf nog wel een beetje rechtbuigen. Zijn vorige fiets hadden ze zo de vernieling in geschopt dat hij de overgebleven stukken in de vuilnisbak had kunnen gooien. Aan zijn moeder had hij verteld dat zijn fiets gestolen was, ze was ontzettend kwaad op hem geworden. Met een beetje geluk kon hij het dit keer helemaal verborgen voor haar houden.

In het begin was het niet eens zo erg geweest. Zij waren de populaire jongens en hij was hun sullige klasgenoot; ze leefden totaal langs elkaar heen. Onder schooltijd negeerden ze elkaar en na schooltijd gingen ze ieder hun eigen gang. Hij had een paar vrienden in andere klassen gemaakt en hij begon haast met plezier naar school te gaan, tot één van de jongens hem op Hyves toevoegde en vervelende teksten begon achter te laten. Over zijn gewicht, over zijn bril, over zijn domme bloempotkapsel. Steeds meer volgden, als een stel schapen imiteerden ze elkaar tot de hele klas een gezamenlijke hobby had gevonden; de sul van de klas belachelijk maken.

Hij had er nog nooit wat van gezegd. Toen het begon, dacht hij dat het maar een fase was, als hij maar niet reageerde, zouden ze vanzelf verveeld raken en ophouden. In plaats daarvan gingen ze steeds verder, probeerden hem uit de tent te lokken, hopend op een reactie zodat de hele klas tenminste om hem kon lachen.
Schelden en uitlachen werd algauw dreigen en treiteren. Plotseling kon hij zijn splinternieuwe mp3-speler niet meer vinden, terwijl hij zeker wist dat hij hem in zijn rugtas had gestopt. Zijn brood was rond de lunchtijd altijd op mysterieuze wijze verdwenen. Tijdens de lessen zat er nooit meer iemand naast hem en zijn pauzes begon hij steeds vaker buiten door te brengen.

Zijn ogenschijnlijke kalmte waarmee hij alles naast zich neer kon leggen, was het enige dat hem nog beschermde. Haast lethargisch had hij toegekeken hoe ze al joelend op zijn fiets stampten, schreeuwend dat hij daarna aan de beurt was. Alles gelaten over hem heen laten komen. Dat was de enige manier dat het niet écht pijn deed, als ze hem weer vroegen of hij soms een mongooltje was. Als er weer een groepje meisjes hem giechelend nawezen in de gangen.

Hij dacht aan zijn zusje, die thuis met smart op hem zat te wachten om samen met hem Aladin te kijken.

Soms vergat hij zijn apathische houding van zich af te schudden als hij thuis kwam, dan liep hij gedachteloos naar zijn kamer, alles en iedereen negerend en kon hij alleen maar voor zich uit staren, alsof hij mentaal al lang geleden was uitgeschakeld door de pesterijen. Dan kostte het hem angstaanjagend veel moeite om zichzelf weer wakker te schudden, zijn moeder te groeten en zich te laten omhelzen door zijn zusje. Soms was het nog erger, dan kon hij niet wakker worden, omdat hij besefte dat hij in deze nachtmerrie leefde.


Voor het eerst

Dit (tamelijk lange) stukje heb ik geschreven in het vliegtuig. (Voor de mensen die dit nog niet wisten, ik ben een week op vakantie geweest.) Ik was nog een beetje nerveus voor mijn eerste vakantie alleen en probeerde mezelf bezig te houden en alle gedachten even op een rijtje te zitten. Nog nooit heb ik op deze manier proza over mezelf geschreven, dus ik wilde het graag op deze manier met jullie delen!

Brede balken zonlicht vallen door de ronde raampjes van het vliegtuig naar binnen. Enkele horloges en glimmende telefoonoppervlakken weerkaatsen het licht door de ruimte en ik vermaak mezelf door een tijdje naar het lichtspel te staren. Als mijn buurman zich wat verder in zijn stoel laat zakken zie ik een glimp van het bekende uitgestrekte winterlandschap waar het vliegtuig boven lijkt te zweven. Het lijkt op verse sneeuw, zo zacht en donzig dat je de neiging krijgt er lekker in weg te kruipen of als een doldwaze in rond te springen zoals op een luchtkussen. Natuurlijk weet ik net zo goed als ieder ander dat wegkruipen in een verzameling minuscule, ijskoude waterdruppeltjes niet mogelijk is, maar er is geen mens ter wereld bij wie deze gedachte niet even door het hoofd schoot, starend uit het vliegtuigraampje.

Schuin voor mij zit een Oosterse man verdiept in een tijdschrift met kunstige miniatuurtekeningetjes en ik vraag me verwonderd af hoe hij er in hemelsnaam wijs uit kan worden. Achter hem zit een Iers stel van middelbare leeftijd. Souvenirs onder de stoelen gestouwd, hangen ze uitgeteld in hun stoelen. Zij zit met een boek op schoot maar haar hoofd is op haar borstkas gezakt en het boek schuift langzaam van haar schoot, waarna het met een zachte plof op de grond belandt. Ze merkt het niet. De man heeft zijn ogen gesloten en zijn hoofd is op haar schouder gevallen, zijn zachte gesnurk wordt gelukkig overstemd door het luide geronk van de vliegtuigmotor.
Daarachter zitten natuurlijk nog meer mensen, het toestel zit bijna helemaal vol. Ik zie zakenmannen die nu alweer verdiept zitten in hun laptop en zich bezig houden met moeilijke zaken die vast veel met cijfertjes en beleidsvorming te maken hebben, sommigen praten met elkaar over projectmanagement, over fusies en reorganisaties. Ik onderdruk een geeuw als ik langer dan een minuut naar zo’n gesprek geluisterd heb. Nog verder daarachter hoor ik gegiebel van jonge meisjes en ik stel me voor dat ze net genoten hebben van hun eerste buitenlandse uitje zonder ouders in het altijd spannende Amsterdam.

Ik zit aan het gangpad en bekijk alle passagiers op mijn gemak, aangezien er weinig anders te doen is. De bemanningsleden glimlachen vriendelijk naar me en ik begin te ontspannen. Aan het raam, gescheiden van mij door een lege stoel, zit een oudere man die ik eigenlijk meteen had bestempeld als een ouwe chagrijn. Ik besluit me niet te laten leiden door mijn vooroordelen en zeg vriendelijk ‘gesundheit’ na een flinke niesbui. De blik die ik ontvang doet me haast het gangpad op vluchten, zo angstaanjagend, maar na een aantal seconden knikt hij me kort toe en mompelt een bedankje. Vervolgens draait hij zich resoluut naar het raam zodat ik opeens naar een (enorme) rug zit te staren. Ik blijf mezelf voor houden dat mijn eerste indruk niet per se hoeft te kloppen (misschien is hij gewoon moe?), maar het is duidelijk dat hij niet op een luchtig kletspraatje zit te wachten.

Twee uur geleden zat ik nog met mijn vader in Amsterdam aan een grote maaltijdsalade en vlogen de zenuwen ineens naar mijn keel toen ik besefte dat ik zo meteen helemaal alleen naar de douane moest en vervolgens op zoek moest gaan naar mijn vliegtuig. Dat zou slechts het begin zijn, een week lang zou ik alleen mijn weg moeten vinden en mijn eigen problemen moeten oplossen. Wat als mijn talent voor verdwalen zich ineens zou manifesteren? Wat als mijn Engels me ineens in de steek liet en ik niet meer om hulp kon vragen? Stel je voor dat de vliegtuigmaatschappij mijn koffers kwijt zou raken, of dat ik het vliegtuig miste, of dat het vliegtuig zo veel vertraging had dat ik geen vervoer meer zou kunnen krijgen naar het hostel. Moest ik dan in mijn eentje door een onbekende, donkere buitenwijk gaan dwalen op zoek naar een slaapplaats?
De maaltijdsalade bleef eenzaam op mijn bord liggen terwijl ik wanhopig probeerde mijn ademhaling onder controle te houden.

Nu zit ik hier omringd door Ieren en zijn de zenuwen haast nergens meer te bekennen. Ik glimlach stilletjes voor me uit als de piloot de landing aankondigt. Opeens kan ik niet meer wachten om deze spannende nieuwe stad te gaan ontdekken. Vijf jaar geleden durfde een mensenschuw klein meisje niet alleen met de tram te reizen, omdat iedereen naar haar keek. Nu gaat zij in haar eentje beginnen aan een kleine ontdekkingsreis. De eerste van velen.